Boerenerf uit de Vroege – Midden IJzertijd in Didam

Boerenerf uit de Vroege – Midden IJzertijd in Didam

DIDAM – Aan de rand van Didam werd in maart 2020 een archeologische opgraving uitgevoerd door SOB Research. Er werd een erf aangetroffen uit de Vroege- Midden IJzertijd. Naast sporen uit de IJzertijd werden middeleeuwse perceleringsgreppels aangetroffen en een loopgraaf met schuttersputjes behoren tot de Niederrheinstellung.

IJzertijd in Didam
Sporenkaart met structuren (zwart en genummerd), middeleeuwse perceleringsgreppels (blauw), sporen uit de Tweede Wereldoorlog (rood) en overige archeologische sporen (zwart omkaderd).

Erf uit circa 625 – 400 voor Chr.

Tijdens het proefsleuvenonderzoek en de daaropvolgende archeologische opgraving werd een groot aantal paalkuilen, kuilen en greppels aangetroffen. Het overgrote deel hiervan is gedateerd in het laatste deel van de Vroege IJzertijd – begin Midden-IJzertijd. Er kon een vijftal structuren worden onderscheiden waaronder een groot deel van een boerderij (Structuur 2). Deze boerderij was tweeschepig en in ieder geval 17 meter lang. Op basis van de algehele kenmerken van de structuur wordt deze boerderij gerekend tot het type Dalen. Daarnaast werd een rij middenstaanders aangetroffen (Structuur 1), een spieker (Structuur 3), een 2 delen van gebouwen (Structuur 4 en 5). Structuur 4 betrof het westelijke deel van een structuur bestaande uit paalkuilen. De bodem rond de paalkuilen was licht aangegloeid, daarnaast was de vulling van de paalkuilen relatief donkergekleurd. Het duidt erop dat er waarschijnlijk ter plaatse van (een deel van) Structuur 4 brand heeft gewoed. Mogelijk houdt de structuur tevens verband met een cluster aan kuilen direct ten zuiden van de plattegrond waarin veel verbrand aardewerk, huttenleem en botresten van schaap en rund werden aangetroffen.

Naast sporen die kunnen worden gerelateerd aan structuren werd een aantal kuilen (29 stuks) en greppels (18 stuks) aangetroffen, die zeer waarschijnlijk eveneens dateren uit de periode van 625 – 450 voor Chr. Voor wat betreft een groot aantal van deze sporen kon er door het ontbreken van vondstmateriaal geen functie en/ of precieze datering aan worden toegekend. Dit met uitzondering van een afvalkuil (mogelijk een verlatingsoffer) uit de periode van het laatste deel van de Vroege IJzertijd – het begin van de Midden IJzertijd (625 – 450 voor Chr.). Dit betrof een geïsoleerde afvalkuil met een grote hoeveelheid verbrand en gesinterd aardewerk en verbrande leem. Het is mogelijk dat de kuil is gevuld met pottenbakkersafval dat na een mislukt bakproces is gedeponeerd. Het is tevens mogelijk dat het de verbrande inventaris van een huis betrof. Bijzonder was de vondst van een weefgewicht, die bewust centraal op de bodem van deze kuil lijkt te zijn gelegd.

Vlakfoto van Structuur 2, type Dlen

Sporenkaart ter plaatse van Structuur 2

IJzertijd in Didam

Wat betreft de duiding van de vindplaats uit de IJzertijd kan deze niet los worden gezien van het archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied. Ten zuiden en zuidwesten van het plangebied heeft ADC in 2009 een grootschalig archeologisch onderzoek uitgevoerd waarbij veel sporen uit de IJzertijd werden aangetroffen, vooral uit de periode van de Vroege- en Midden IJzertijd. De sporen werden voor een groot deel aangetroffen ter plaatse van een langgerekte zuidoost – noordwest georiënteerde dekzandrug. De bewoning in de IJzertijd was met name geconcentreerd op de flanken van de dekzandrug en op de flanken van een erosiegeul die door de rug heen liep. Door het ontbreken van vondstmateriaal waren de aangetroffen structuren niet goed te dateren waardoor het lastig bleek om structuren, kuilen en waterputten aan eenzelfde erf te koppelen. In de Romeinse Tijd verschoof de bewoning naar de hogere delen van de dekzandrug.

Ook bij het onderhavige onderzoek van SOB Research was sprake van eenzelfde dateringsproblematiek. Er werd zeer weinig vondstmateriaal aangetroffen waardoor veel structuren, kuilen en greppels niet met zekerheid konden worden gedateerd en waardoor bijna geen uitspraken kunnen worden gedaan over gelijktijdige of opeenvolgende structuren of sporen. Het is echter zeer waarschijnlijk dat het merendeel van de sporen en structuren dateert uit het laatste deel van de Vroege IJzertijd/ het begin van de Midden IJzertijd (circa 625 – 450 voor Chr.) en dat hier in deze periode een erf met een boerderij en bijgebouwen aanwezig is geweest. Voor wat betreft het algemene beeld ligt het onderzoek in lijn met het onderzoek van ADC.

Kuil gevuld met misbaksels en ovenresten uit de IJzertijd
Onderin de kuil met misbaksels en ovenresten werd een weefgewicht aangetroffen

Loopgraven en schuttersputjes

Ter plaatse van het plangebied werden 19 sporen aangetroffen die kunnen worden gerelateerd aan een loopgraaf die op twee plaatsen werd waargenomen en aan schuttersputjes die ten weerszijden van loopgraven waren gelegen. Deze sporen uit de Tweede Wereldoorlog vormden een onderdeel van een groot netwerk van loopgraven en andere aan de Tweede Wereldoorlog gerelateerde structuren in de omgeving van Zevenaar. Dit netwerk werd door de Duitsers aangelegd na de toenemende dreiging van de Geallieerden in september 1944 en na de mislukte Slag om Arnhem toen de Geallieerden zich terugtrokken richting Nijmegen. De Liemers speelde een belangrijke rol bij de Duitse verdediging, omdat dit gebied was gelegen in het grensgebied tussen Nederland en Duitsland en vanwege de daar gelegen spoorlijn van Emmerich naar Arnhem.

Na de Slag om Arnhem werden de Duitse stellingen in de Liemers (de Niederrheinstellung) versterkt in opdracht van Organisation Todt, een overheidsorganisatie die verantwoordelijk was voor de aanleg van verdedigingswerken als de Atlantikwall en de Niederrheinstellung. Daarbij werden door dwangarbeiders vele kilometers loopgraven en tankgrachten aangelegd. Zo ook ter plaatse van het plangebied, waar zogenoemde ‘communication trenches’ waren gelegen die werden verdedigd met machinegeweren.

De situatie bleef lange tijd stabiel tot de Geallieerden in de nacht van 23 – 24 maart de Rijn overstaken. De Canadezen kregen de taak om Nederland te bevrijden, zo ook de Liemers. Het doel was om een overgang over de IJssel te forceren, om Zutphen, Deventer, Apeldoorn en Arnhem te bevrijden en om vervolgens de Rijn bij Arnhem over te steken. De bevrijding begon aan de Duitse zijde: op 30 maart viel Emmerich in Geallieerde handen, waarna de Eltenberg werd veroverd. Vervolgens trokken de Canadezen de Liemers binnen. Op 31 maart werd ’s-Heerenberg bevrijd, daarna met enige vertraging door het grote aantal loopgraven en tankversperringen Wehl, waaronder een deel van de spoorlijn. Op 2 april werd Didam bevrijd, waarna de Geallieerden hun weg vervolgden richting Zevenaar en Loil en vervolgens de IJssel overstaken bij Giesbeek en Angerlo.

Sporen uit de Tweede Wereldoorlog (loopgraaf en schuttersputjes) geprojecteerd op een luchtfoto van de Royal Air Force uit 1944

Meer weten? Lees dan hier het rapport over de opgraving.

Reageren is niet mogelijk.