Van boerenerf naar rijtjeshuis; 6 eeuwen wonen in Voerendaal

Van boerenerf naar rijtjeshuis; 6 eeuwen wonen in Voerendaal

Het onderzoeksgebied naast de Laurentiuskerk met op de voorgrond een structuur die dateert uit de 17de eeuw

Voerendaal – In het centrum van Voerendaal, op een steenworp afstand van de elfde-eeuwse Laurentiuskerk, voerde SOB Research in 2015 en 2016 een archeologisch onderzoek uit. Er werd een groot aantal funderingen aangetroffen die behoorden tot 20 structuren uit 1350 – 2000 na Chr. Bij het uitwerken van de opgraving werd een tweedeling waarneembaar van een plattelandsgemeenschap met een boerenerf en een weiland voor de koeien tot circa 1700 na Chr. naar een ietwat geürbaniseerde gemeenschap met rijtjeshuizen. De dorpskernopgraving gaf ons bovendien een blik in de geschiedenis van Voerendaal, maar tevens een blik op de ontwikkeling van dorpen in Zuid-Limburg.

Boerenerf (1350 – 1700)

Koebel aangetroffen in een ophooglaag. De bel dateert uit circa 1450 – 1600. Foto: Restaura

In de periode van circa 1350 tot 1700 na Chr. was er telkens één boerderij aanwezig ter plaatse van het noordoostelijke deel van het onderzoeksgebied. De vroegst aangetroffen structuur dateert uit circa 1300 – 1400 en betrof een boerderij gebouwd op stiepen in de vorm van een platte natuursteen waar een stijl op heeft gestaan. Er werd slechts een viertal (restanten) van dergelijke stiepen aangetroffen. Daarna werden de gebouwen opgebouwd op een rommelige, ondiepe fundering van Kunrader kalksteen en mergel, wat mogelijk wijst op vakwerkbouw. Veel van de bebouwingsfasen werden afgewisseld met ophoogfasen, waardoor er een soort verhoogde woonplaats (huisterp) is ontstaan. Vanwege het gewicht van dit dikke pakket van meerdere bewoningsfasen en vanwege de onderliggende instabiele beekafzettingen is de basis van de bebouwing enigszins in de ondergrond weggezakt en verzakt.

Drie-oren-kruik, waarschijnlijk uit Raeren (s2-kan-30) uit 1525 – 1575. Foto: Liesbeth Hofste Photography

Tot circa 1700 na Chr. was het westelijke deel van het onderzoeksgebied onbebouwd. Er liep een oost – west georiënteerde sloot, die waarschijnlijk vanuit het oosten (van waar de bebouwing heeft gestaan) geleidelijk aan is gedempt met onder andere afval. Op basis van het pollenonderzoek kan worden geconcludeerd dat in de directe omgeving (en mogelijk ook ter plaatse van het westelijk deel) van het onderzoeksgebied grasland aanwezig was, waarop werd begrazen. De vondst van een vijftiende- / zestiende-eeuwse koebel ondersteunt dit idee. Op basis van het pollenonderzoek bleek tevens dat het westelijke deel drassig was, dat er waarschijnlijk sprake was van grote en veelvuldige wisselingen wat betreft de waterstanden. Dit is mogelijk de reden dat deze locatie, die centraal in Voerendaal is gelegen, nog zo’n lange tijd onbebouwd is gebleven.

Het aardewerk uit de periode tot en met zeventiende eeuw bestaat grotendeels uit producten die afkomstig zijn uit de regio, zoals wit- en roodbakkende grapen. Daarnaast werd voornamelijk steengoed aangetroffen. Het aardewerk betrof simpel gebruiksaardewerk dat werd gebruikt als kook-, tafel- en schenkgerei.

De vroegste complete structuur (Structuur nr. 2) uit de 15de eeuw

Rijtjeshuizen (1700 – 2000)

De drie structuren die in de 18de eeuw op dezelfde rooilijn zijn gebouwd, geprojecteerd op een uitsnede van de Kadastrale Kaart uit 1811-1832

De sloot die door het westelijk deel van het onderzoeksgebied stroomde werd tot in de eerste helft van de achttiende eeuw geleidelijk aan gedempt. Op deze gedempte sloot werden waarschijnlijk tussen 1700 – 1750 na Chr. tegelijkertijd drie structuren gebouwd. Het betroffen redelijk gestandaardiseerde rechthoekige woningen die tegen elkaar aan werden gebouwd op dezelfde rooilijn. Deze rooilijn betrof de Dorpsstraat, het huidige Kerkplein. De fundering was opgebouwd uit gezaagde mergelblokken. In de loop van de jaren werden achter de woningen allerlei schuurtjes, toilethuisjes en andere aanbouwen gebouwd.

Het westelijke deel van het onderzoeksgebied werd pas vanaf het einde van de negentiende eeuw bebouwd, waarbij van oost naar west toe werd uitgebreid. Waarschijnlijk dat de grond in het westelijke deel van het plangebied het meest en het langst drassig is gebleven en dat deze zone daarom lange tijd ongeschikt werd geacht om te bebouwen. Voorafgaand aan de bouw werd door middel van funderingspaaltjes (Rotterdamse fundering) dan ook een stabielere basis gelegd om op te bouwen.

Het aardewerk uit de achttiende tot en met de twintigste eeuw was gevarieerder dan in voorgaande jaren. Het aardewerk was niet meer alleen afkomstig uit nabijgelegen productiecentra, maar werd ook van verder weg geïmporteerd. Dit heeft te maken met het grotere aanbod van gebruiksaardewerk en de mogelijkheid tot aanschaf daarvan, maar het kan tevens een wijziging in de aard van de nederzetting aantonen. Het betrof nog steeds geen dure objecten, maar mogelijk wel van een iets hoger segment als voorheen.

Een complete gesmede baardsleutel met een massieve steel en een ruitvormige greep. Foto Restaura

De fundering van de bebouwing uit de achttiende eeuw was tot de sloop voorafgaand aan het archeologisch onderzoek nog grotendeels intact. Binnen deze eeuwenoude basis konden vele verbouwingsfasen worden herkend die een resultaat waren van het samenvoegen of splitsen van panden en het moderniseren van de huizen.

Tweedeling

Opmerkelijk is de bij het archeologisch onderzoek aangetroffen tweedeling van enerzijds het boerenerf (tot circa 1700 na Chr.) en anderzijds de ‘verstedelijking’ van het gebied vanaf 1700 na Chr. Deze ontwikkeling komt overeen met de ontwikkelingen binnen Nederland in de achttiende eeuw. In de achttiende eeuw begonnen steden, en dan met name steden in het westen van het land, drastisch te krimpen. Daartegenover stond een sterke groei van de plattelandseconomie. De oorsprong van deze groei dient gezocht te worden in de stijgende vraag naar landbouwproducten op de Europese markt. In het oosten van het land uitte deze ontwikkeling zich naar een grotere afzet van landbouwproducten, welke via rivieren (Maas) en havens (Middelburg, Rotterdam, Harlingen en Groningen) geëxporteerd werden naar het buitenland, en dan met name naar Engeland.

Ontwikkeling van het onderzoeksgebied van 1200 – 2000 na Chr.

Dorpsontwikkeling in Limburg

Het onderzoek naar de dorpsontwikkeling in Zuid-Limburg is nog grotendeels gebaseerd op een toponymisch model, een model dat gebaseerd is op de herkomst (etymologie) van plaatsnamen. De reden hiervoor is het weinige bodemonderzoek dat in het verleden in Zuid-Limburgse dorpskernen is uitgevoerd. Dit model gaat ervan uit dat vroegmiddeleeuwse kernnederzettingen in of aan de rand van beekdalen werden gesticht. Tijdens de grote bevolkingsgroei van de elfde en twaalfde eeuw zouden vanuit deze kernnederzettingen, gronden zijn ontgonnen en satellietnederzettingen zijn gesticht, eerst op de hellingen en later op de hogergelegen plateaus. Veel plaatsnamen verwijzen nog naar deze ontginningsfase. Plaatsnamen die bijvoorbeeld eindigen op –rade (als Kunrade) verwijzen naar de ontbossingen in de Volle Middeleeuwen. Ze komen voor bij plaatsnamen op wat hogergelegen zones en dateren uit de dertiende/ veertiende eeuw. Andere plaatsnamen verwijzen naar kenmerkende eigenschappen van de nieuwe nederzetting als ‘beek’ (als in Oirsbeek) voor nederzettingen in het beekdal, of ‘schin’ (als in Schinveld), ‘broek’ (als in Hoensbroek), en ‘ham’ (als in Brunsham – Brunssum) voor nederzettingen in een natte/ drassige omgeving. Ze komen voor bij nederzettingen in lagergelegen zones en worden voor het eerst genoemd in de twaalfde eeuw.

Pegrimsinsigne van de heilige Judocus (ook wel Sint Josse, Sint Joos en Sint Joost) uit Saint Josse-sur-Mer uit 1375 – 1425. Het hoofd van het insigne mist, deze is waarschijnlijk tijdens gebruik gebroken omdat de nek een zeer zwakke plek is. Hetzelfde soort insigne wordt regelmatig onthoofd aangetroffen.

Voerendaal (in de elfde eeuw Furentela genoemd) verwijst naar Voer (waarschijnlijk de oude benaming van de Hoensbeek) en naar Daal (een dal, laagte of vallei). Op basis van het toponymisch model is Voerendaal een nederzetting uit een lagergelegen zone en zou het relatief vroeg (in de elfde eeuw) zijn gesticht. Mogelijk hadden de ontginningen vanuit Heerlen plaats. Voerendaal wordt namelijk in archiefstukken uit de elfde eeuw onder het allodium Heerlen genoemd. Bovendien werden de ontbossingen vanaf het laaggelegen beekdal steeds hoger uitgevoerd en ligt Voerendaal relatief diep in het dal. Het archeologisch onderzoek lijkt dit toponymisch model te ondersteunen. Vanwege de beperkingen wat betreft ontgravingsdiepte konden de vroegste ophooglagen slechts zeer summier worden waargenomen, maar op basis van het aangetroffen vondstmateriaal konden deze lagen waarschijnlijk in de periode van de twaalfde t/m veertiende eeuw worden gedateerd. Echter kan een vroegere datering zeker niet uitgesloten worden.

De aanwezigheid van een moederkerk te Voerendaal met doop- en begraafrechten doet vermoeden dat Voerendaal een belangrijke, en vaak bezochte locatie moet zijn geweest. Daarnaast lijkt het aannemelijk dat de Sint Laurentiuskerk na de inwijding door Paus Leo IX een uitzonderlijke status moet hebben gehad. De kerk van Voerendaal was te bereiken via de Keerberg, die ten tijde van de Kadastrale Kaart uit 1811- 1832 nog Keerweg heette. De naam van deze straat doet vermoeden dat het een doodlopende straat betrof, dat de weg alleen naar Voerendaal leidde. De Keerweg was in het zuiden, ter hoogte van Kunrade verbonden met de doorgaande route van Maastricht naar Heerlen. Het onderzoeksgebied is strategische gelegen op de doorgaande route van de Keerweg naar de kerk. Het is dan ook een logische locatie voor vroege bewoning en voor de vroege urbanisatie van het dorp.

Lees nu het volledige rapport.

De locatie van de vroegste stucturen (1350 – 1700) geprojecteerd op een uitsnede van de Kadastrale Kaart uit 1811 – 1832 in combinatie met het Actueel Hoogtebestand Nederland
Reageren is niet mogelijk.